Elkaar het ene moment de tent uit vechten en dan weer knuffelen alsof ze niemand anders in hun leven willen. Iedereen die met zijn/haar kinderen op vakantie is geweest zal het herkennen. Het ene moment geniet je van het samenspel en drie seconden later sta je als politieagent een heftige overtreding te reguleren.
Een klein voorbeeld, maar een grote metafoor voor wat ik zie in mijn vakgebied. Families die samen een familiebedrijf of familievermogen besturen. Soms als een synchroonzwemmend waterduo en soms als een ontspoorde botsauto.
Deze “sibling rivalry”/ rivaliteit tussen zussen en broers is gezond en tegelijkertijd de bron voor uiteenvallende families. Deze rivaliteit tussen kinderen heeft vaak een onderliggende basis die jong ontstaat en wordt meegenomen naar het volwassen leven. Tot je deze met elkaar gaat zien en een plek geeft in jullie samenwerking.
Hoe ga je om met rivaliteit tussen broers en/of zussen?
– Constateer dat het zo is. Zie het en accepteer het.
– Bespreek het. Bespreek waarom je (vroeger) last had van de ander.
– Erken de verschillen in hoe je behandeld bent (door ouders) en hoe je elkaar hebt behandeld.
Klinkt makkelijker dan het is, dat klopt. Maar als je het aandurft, dan heb je de basis om door te kunnen gaan als broers en zussen in een professioneel en volwassen familiebedrijf.
En betekent dit dat je als broers en/of zussen nooit meer rivaliteit gaat tegenkomen? Natuurlijk niet. Je patronen van vroeger blijven terugkomen, heftig of mild. Bij de een heel vaak, bij de ander soms heel onverwacht. Als je hierover met elkaar hebt gesproken, zie je dit gebeuren en kun je er op termijn wellicht zelfs om lachen.
En wie weet kun je dan terugkijken met een lach en herken je een van deze patronen:
“Jaja, broer, hier zit dit pingponger van vroeger weer hé, die ALTIJD de beste moest zijn.”
“Ik heb je écht wel gehoord, ik ben het alleen niet met je eens, maar jouw mening doet er echt wel toe, ook al dacht je vroeger van niet.”
“Dat is hoe onze ouders naar ons keken, niet hoe ik jou zie.”
Als je wil weten of je deze rivaliserende patronen op dit moment weleens tegenkomt, wellicht herken je ze aan de volgende zinnen:
– Ja, maar ik/jij ben(t) gewoon zo;
– Je klinkt echt als onze moeder (of voor de brabanders: ons mam);
– Ik weet toch al wat je antwoord gaat zijn;
– Jij hoeft zeker weer niks te doen;
– Het ligt natuurlijk nooit aan jou.
(Vaak te herkennen aan woorden als: “gewoon”, “altijd”, “zeker”, “natuurlijk”, “toch”)
Mijn tip als je ze herkent: noem het beestje bij de naam op je eigen(wijze) manier. Zoals bijvoorbeeld als: “Hé, we lijken wel 20 jaar terug in de tijd gegaan” of “volgens mij zijn onze kinderachtige versies weer met elkaar in gesprek”. Je bewust worden is de allereerste stap.
Want waar komt die rivaliteit vandaan? Vaak komen dan de onderliggende waarden die in jullie jeugd zijn ontstaan voorbij. Over gelijkwaardig zijn of op een gelijke manier behandeld worden. Over goed genoeg zijn of beter dan de ander. Over gezien worden zoals je bent door je ouders en elkaar. Het mooiste van het constateren is dat het kan leiden tot prachtige volwassen gesprekken binnen je ouderlijk gezin. Die ervoor zorgen dat je elkaar met nieuwe ogen durft en mag bekijken.
En dat, gun ik iedere familie.